Beknopte kerkgeschiedenis

Vroege Middeleeuwen

In de 7e eeuw heeft de Angelsaksische monnik St. Willibrordus het christelijk geloof in de Lage Landen gevestigd. In 695 wordt Utrecht zijn bisschoppelijke zetel. Vanuit Utrecht wordt Twente gemissioneerd, onder anderen door Marcelinus. De eerste kerken in Twente worden gesticht te Oldenzaal en Ootmarsum. Rond 750 komt Lebuïnus richting Deventer en rond 800 trekt Ludgerus verder richting Münster.

De Tubanten (Twente) hangen de Germaanse natuurgodsdienst aan. Zij kennen de goden Thiu, Wodan, Donar en Frija, naar wie onze weekdagen zijn genoemd. Ook andere oude, heidensreligieuze gebruiken zullen lang blijven voortbestaan en gedeeltelijk worden gekerstend, zoals de midwinterhoorn, het palmpasen, het paasvuur en de geveltekens.

Late Middeleeuwen

De kapel

Uit de oerparochie Oldenzaal hadden zich rond 1150 zeven andere parochies ontwikkeld: Delden, Enschede, Goor, Haaksbergen, Markelo, Ootmarsum en Rijssen. De buurschap Hengelo viel onder de parochie Delden. De nederzetting was ontstaan rond de versterkte Hof te Hengelo. Bij deze hof werd in de loop van de veertiende eeuw een kapel gebouwd. De oudste vermelding van deze kapel dateert van ca. 1350. Ze werd toegewijd aan de H. Lambertus, een geliefd patroon van de adel. De toenmalige beheerder van de Hof te Hengelo was het adellijke geslacht Van den Rutenberge, die hun kasteel hadden te Dalfsen nabij de Vecht. Zij hadden banden met de religieuze hervormingsbeweging van de Moderne Devotie. Waarschijnlijk heeft de Romaanse doopvont, die tegenwoordig een plaats heeft in de hervormde kerk De Hoeksteen aan de Drilscholtenstraat, al dienst gedaan in deze middeleeuwse kapel, maar dan als wijwaterbekken. Gedoopt mocht alleen worden in de hoofdkerk van de parochie.

Het eerste stenen kerkje

Rond 1500, toen de Hof te Hengelo in het bezit was gekomen van het geslacht Van Twickelo, werd de kapel vervangen door een echt stenen kerkje. Er kwam een toren(tje) bovenop. In 1515 kwam hierin een klok te hangen, vervaardigd door de bekende klokkenmakerfamilie Van Wou. De Van Twickelo’s, bekend van hun hoofddomicilie Twickel bij Delden, waren generaties lang Drost van Twente, maar ook een geslacht van veldheren, die streden in dienst van de bisschoppen van Utrecht. Na mogelijk beschadigd te zijn door de Geldersen (ca. 1522) werd de kerk herbouwd en verder verfraaid door Frederik van Twickel (+ 1545). Deze genoot als veldheer van keizer Karel V een bovenregionaal aanzien en was bovendien zeer geliefd bij de Hengelose bevolking. Hij zorgde er, mede door zijn financiële inbreng, ook voor, dat de Hengelose kerkgemeenschap in de 16e eeuw in feite als een zelfstandige parochie fungeerde, los van Delden.

Reformatie

In de periode na Frederik, vooral na ca. 1580, kreeg de Reformatie ook zijn aanhangers te Hengelo. In 1591 werd Frederik jr., een kleinzoon van heer Frederik, heer van Hengelo. Hij was overgegaan naar de kant van de Reformatie. Hij woonde trouwens niet te Hengelo, maar in het reeds gereformeerde Rheda, in dienst van de graaf van Bentheim. In deze periode raakte ook Twente betrokken bij de Tachtigjarige Oorlog. Spaanse en Staatse troepen trachtten hier met een tactiek van de verschroeide aarde elkaars steunpunten uit te schakelen. Bij zo’n plundertocht ging ook een groot deel van Hengelo met Pasen 1594 in vlammen op.

In 1597 ging Twente door de verovering door Prins Maurits over naar de zijde van de Staten-Generaal en daarmee officieel ook naar de ‘gereformeerde’ godsdienst. Omdat Hengelo aanvankelijk nog geen eigen dominee kreeg, ging men ter kerke in Delden. Ook kwam de predikant van Delden in die eerste periode wel diensten doen in Hengelo. Hij deed dit dan in het kerkje van heer Frederik, dat de katholieken nu ontnomen was. Het oude kerkje zou nog voor de nieuwe, hervormde eredienst in gebruik blijven tot 1839, toen het werd opgevolgd door de Waterstaatskerk.

17e Eeuw

Een document van de Munsterse bisschop Van Galen (Bommenberend) uit 1673 zegt van de Hengelose bevolking, dat ze voor een derde hervormd, voor een derde katholiek en voor een derde doopsgezind is.

De hervormden

Alleen de hervormden mochten hun geloof openlijk belijden. De anderen moesten dat in het geheim doen. De hervormde kerk (officieel de Nederduitse Gereformeerde Kerk) was toentertijd de enig toegestane kerk. Maar pas in 1643 kreeg Hengelo zijn eigen hervormde predikant. Dit duurde zo lang, omdat Willem Ripperda, de opvolger van Unico, remonstrantsgezind was en ook de kerkelijke inkomsten liever privé aanwendde.

De doopsgezinden

Sinds ongeveer 1620 waren de doopsgezinden als derde godsdienstige groepering deel gaan uitmaken van de Hengelose gemeenschap. Zij waren verdreven uit het katholieke Munsterland en hadden waarschijnlijk werk kunnen vinden bij de tolerante Unico Ripperda, die in 1615 de nieuwe bezitter van Huis Hengelo was geworden. Zij hadden enige tijd een schuilkerk in een boerderij in Twekkelo, maar vanaf het begin van de 18e eeuw, toen men van overheidswege wat toleranter werd, mochten zij in Hengelo zelf hun diensten houden. Aanvankelijk gebeurde dit in het Ter Horsten-huis, naast de Ter Horsten-bleken aan de Deldenerstraat, maar al snel, in 1709, werd hiertoe een woning aangekocht aan de Brinkstraat.

 De katholieken

Hoewel zij niet meer terechtkonden in hun kerkje, bleven vele Hengeloërs het oude katholieke geloof trouw. Dit was mogelijk omdat in 1605 Oldenzaal weer door de Spanjaarden heroverd was en van daaruit katholieke priesters heimelijk in de omgeving actief waren. Toen zij na 1626 niet meer vanuit Oldenzaal bediend konden worden, omdat de Spanjaarden toen definitief uit Twente werden verdreven, werden zij gedurende de rest van de 17e eeuw heimelijk door priesters bijgestaan vanuit het Munsterland, met name vanuit de missiepost het Oorthuys, vlak over de grens bij de Knalhutte tussen Enschede en Alstätte (vgl. Zwillbrock). Vanaf 1673 hadden zij een eigen kerkschuur bij boerderij het Harmelink in Woolde, niet ver van de voormalige Woolderschool, aan de Oude Deldenerstraat. Zij weten hun geloof goed te bewaren, meer trouw aan de Heer van de Schepping dan aan de heer van Hengelo.

18e Eeuw

In de 18e eeuw kerkten de hervormden in de officiële dorpskerk naast het Huis Hengelo, de doopsgezinden in hun gedoogde (schuil)kerk aan de Brinkstraat, en de katholieken, die nog iets meer in hun mogelijkheden beperkt werden, beurtelings de ene zondag in het Harmelink in Woolde en de andere zondag in een boerderij voorbij Delden. De katholieken hoorden in deze tijd weer (net als in de Middeleeuwen) tot de statie (parochie) Delden.

In de loop van de achttiende eeuw vestigden zich ook joden in Hengelo. Zij hadden hun bijeenkomsten in het woonhuis van één hunner, waarschijnlijk in het tegenwoordige Dr. Poolhuis aan de Pastoriestraat, waar hun wetsrollen bewaard werden.

 De katholieken

In de tweede helft van de 18e eeuw werd de overheid steeds toleranter ten opzichte van de andere godsdiensten dan de bevoorrechte Hervormde kerk. De doopsgezinden hadden hier al eerder van geprofiteerd dan de katholieken, maar ook deze kregen tenslotte in 1785 toestemming om een schuurkerk in Hengelo zelf te bouwen, en wel aan de Weemengaarden, de huidige kerkplek. Indertijd was dit aan de rand van het dorp. Deze kerk kwam in 1786 gereed met hulp van alle gezindten.

Wezenlijk veranderde de godsdienstige situatie echter pas in 1796, toen de Fransen ons land bezet hielden en hun ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap hier toepasten. Alle godsdiensten kregen nu wettelijk gelijke rechten. In diezelfde Franse Tijd werd ook (in 1802) de burgerlijke gemeente Hengelo zelfstandig en in het kielzog daarvan maakte ook de katholieke gemeenschap van Hengelo zich in 1803 los van de uitgebreide statie Delden om een eigen parochie te vormen.

De officiële oprichtingsdatum is 15 juni 1803. Dat wil zeggen: opgericht in officiële, kerkrechtelijke zin. Officieus bestond er al een Hengelose parochie in de Middeleeuwen, maar net op het moment, dat zij rijp leek voor een officiële afsplitsing van Delden, gooiden de turbulente ontwikkelingen van de Reformatie roet in het eten. Wat rond 1600 achterwege bleef, zou uiteindelijk in 1803 wel zijn beslag krijgen.

De hervormden

In dezelfde periode waarin de nieuwe katholieke kerk werd gebouwd, stelden ook de hervormde Hengeloërs pogingen in het werk een nieuw kerkgebouw te krijgen. Alleen had de gemeente de pech, dat haar collatoren de freules Mahony (en de heer Mulert) vonden, “dat zulks niet haar, maar U Ed. Mog.(=R. en S.) aanging”. Ridderschap en Steden daarentegen waren van mening, dat de collatoren de eerst aangewezenen waren om de bouw te financieren. En hoewel er zes jaar lang rekwest op rekwest  en advies op advies volgden, gaven noch het provinciaal bestuur noch de adellijke bezitters van het huis een krimp. Uiteindelijk kwam men in 1791 niet verder dan wat hoognodige reparaties aan het oude kerkgebouw en zelfs daarover ontstond nog onenigheid tussen kerkenraad en collatoren. Het zou nog tot 1837-39 duren, voordat er een nieuwe kerk zou komen nl. de Waterstaatskerk aan de Deldenerstraat. Maar toen was de rol van de adel in Hengelo al volledig uitgespeeld.

De doopsgezinden

Wat dat betreft beschikten de doopsgezinden over meer vrijgevige “collatoren”. Hier niets geen rekwesten of geldinzamelingen. Suikeroom Wolter ten Cate bekostigde gewoon zelf in 1790 een nieuwe kerk voor de doopsgezinden. Deze kwam te staan aan de (vroegere) Marktstraat, schuin tegenover het huidige gemeentehuis. In 1781 had Marieken ten Cate, een zus van Wolter, al een pastorie geschonken, waarin eveneens dankzij een gift van Wolter voor ƒ 1.100 aan verbouwd kon worden. En alsof dit nog niet genoeg was, schonk Wolter samen met zijn broer Jan ook nog ƒ 7.790 voor de aankoop van een boerderij om de doopsgezinde gemeente te laten beschikken over een vast inkomen.

Eerste helft van de 19e eeuw

De nieuwe mentaliteit die alom in den lande na 1830 baan brak, vond in Hengelo vooral weerklank in de persoon van de actieve burgemeester B.W.A.E. Sloet tot Olthuis (1832-1838), naar wie de Sloetsweg genoemd is. Een aantal opvallende activiteiten tijdens Sloets ambtsperiode lag op het gebied van uitbreiding en/of nieuwbouw van kerkgebouwen.

De joden.

Allereerst en het meest doorslaggevend was daar zijn aandeel in de bouw van een nieuwe synagoge. Voor de weinige joodse gezinnen zelf was dit niet op te brengen. In die jaren woonden hier ca. 40 Israëlieten, zoals ze toen genoemd werden. Ze behoorden tot de ringsynagoge van Oldenzaal. Sloet organiseerde in 1836 een collecte en evenals in 1786 bleek de offergezindheid van de overige kerkgenootschappen. Op 14 juli 1837 kon een eenvoudig houten bouwwerk worden ingewijd. Tien jaar later reeds werd het vervangen door een stenen gebouwtje, dat op zijn beurt in 1883 zou plaats maken voor de synagoge aan de toenmalige Marktstraat, naast het latere klooster aan de Thiemsbrug. In 1912 zou deze met de gebouwen aan weerskanten een complex vormen van synagoge, vergaderlokaal, ritueel bad en godsdienstschool. Hun aantal was in 1912  toegenomen tot 65 gezinnen.

De katholieken

Ook zij ontplooiden in deze periode de nodige bouwactiviteiten. Pastoor Wenneger had in 1825 reeds alle kerkbanken laten vernieuwen. In 1830 werd daar een nieuw orgel aan toegevoegd. Maar het echte werk begon in 1835, toen de kerk werd vergroot en er een nieuwe pastorie kwam. In 1830 was van regeringswege ƒ 7.000 subsidie los gekomen. Daarmee konden zaken worden aangepakt, die wellicht al langer bij de pastoor leefden en die gezien de bevolkingsgroei geen overbodige luxe waren.

In 1841 ging pastoor Wenneger met emeritaat en werd opgevolgd door pastoor Egbertus Lohuis. Ook hij vond het nodig de kerk te vergroten, net veertien jaar na de vorige uitbreiding, die waarschijnlijk toch niet al te omvangrijk zal zijn geweest. In de aanbesteding, die is gedateerd 11 juli 1849, worden de werkzaamheden als volgt omschreven: het vergroten en verhogen van – benevens het maken van enige veranderingen en herstellingen aan – de kerk der Roomsch Catholijke gemeente te Hengelo. Ter versterking van de oude muren dienden aan de buitenkant van het gebouw een twaalftal pilasters te worden aangebracht. Het resultaat van de uitbreidingen van 1835 en 1849/’50 was, dat de kerk ook het uiterlijk van een Waterstaatskerk had gekregen en ongeveer twee keer zo lang was geworden als bij de bouw in 1786. Maar wie zou op dat moment, in 1850, bevroed kunnen hebben, dat veertig jaar later alleen nog maar de bouw van een geheel nieuwe kerkgigant een oplossing kon bieden voor de steeds maar toenemende Hengelose bevolking?

 De hervormden

Eveneens tijdens de periode Sloet tot Olthuis werd er daadwerkelijk aangepakt wat betreft de nieuwbouw van de hervormde Waterstaatskerk aan de Deldenerstraat, de vervanger van het oude, rond 1500 gebouwde dorpskerkje nabij het Huis Hengelo. Het onderhoud van een predikant plus voorlezer en koster werd Mulert, de laatste baron van Hengelo, te kostbaar. Een oplossing werd in 1829 gevonden: de gemeente Hengelo nam het collatorschap over en daarmee ook de onderhoudsplicht. Tevens werd bepaald, dat de gemeente een nieuwe kerk zou bouwen en dat de grond van de oude daarna weer aan Mulert zou komen. In 1830 werd ds. van Hoogstraten de eerste door de gemeente beroepen predikant. Maar het zou nog tot 1839 duren eer de nieuwe kerk er kwam. En dan nog nadat de natuur een handje geholpen had. In 1836 hield een storm zo huis, dat men er beducht voor moest zijn, dat gevel en dak zouden instorten.

Eind december 1836 werd dan eindelijk aanbesteed en 14 juli 1839 kon de nieuwe kerk plechtig in gebruik worden genomen. Ook deze nieuwe Waterstaatskerk stond aanvankelijk iets buiten het dorp. Twee jaar later, in 1841, werd het oude dorpskerkje afgebroken. Het middeleeuwse wijwaterbekken van Bentheimer zandsteen verhuisde mee naar de kerk aan de Deldenerstraat, maar de oude preekstoel werd overgedaan aan Usselo, dat in 1844 een zelfstandige N.H. gemeente werd. De nieuwe kerk werd in februari 1844 gecompleteerd met een orgel, door de gemeente na veel collecteren bijeengebracht. Het instrument werd “in tegenwoordigheid eener buitengewoon groote schare” in gebruik genomen door jhr. ds. van Haeften, die tot 1876 in functie zou blijven.

Tweede helft van de 19e eeuw

De gereformeerden

De Afscheiding van 1834 ging aan Hengelo voorbij. Beter gezegd, het kwam niet tot een organisatorisch verband. In eerste instantie was de Afscheiding beperkt gebleven tot West-Twente (Rijssen, Enter en Vriezenveen). Pas  na 1860 drong zij dieper in Twente door en ontstonden in Almelo, Borne en Enschede Kruisgemeenten en gemeenten van Christelijk afgescheidenen. Landelijk zouden deze laatste zich in 1869 verenigen. Kort nadien is ook in Hengelo sprake van christelijk-gereformeerden. Zij hadden hun kerkje aan de Nieuwstraat. Blijkbaar heeft er ook al wel voor 1869 een bepaalde groep bestaan die “op conventikelniveau oefende”, met name in Woolde, en die uit de omliggende plaatsen voorgangers uitnodigde. In latere notulen is zelfs sprake van leden “der voormalige Afgescheiden gemeente te Hengelo”. Van een echte georganiseerde gemeente is echter nooit een spoor gevonden. Het zal altijd wel een informele groep gebleven zijn tot ca. 1870.

Onder invloed van de Doleantie en de activiteiten van Abr. Kuyper zouden de leden van dit informele gezelschap, die individueel tot een der christelijk-gereformeerde kerken uit de plaatsen in de omtrek behoorden, tot vastere vormen van organisatie komen. Rond 1890 hadden zij geregeld zondags samenkomsten op de zolder van het woonhuis van één hunner aan de Waarbekenweg. In de loop van 1891 stelde één der vrienden zijn huis aan de Wolter ten Catestraat beschikbaar, waarvan de achterzijde, uitkomende op de Ziekenhuisstraat, werd ingericht tot vergaderplaats c.q. bedehuis. In 1892 werd een kerkenraad gekozen, die brak met de synodale organisatie van 1816 en daarmee met de Nederlands-hervormde Kerk. In 1895 kreeg de gemeente een eigen predikant in de persoon van ds. Zijlmans, die tot zijn overlijden in 1921 hier werkzaam was. In 1909 werd het kerkgebouw aan de Ziekenhuisstraat nog aanzienlijk vergroot.

Uiteindelijk zou de gereformeerde gemeente in 1930 een heel nieuw kerkgebouw laten verrijzen aan de Bankastraat (Mitchamplein).

De hervormden

De grootste kerkelijke groepering in dorp Hengelo bleef de Nederlands-hervormde gemeente, die het vooral moest hebben van de doorsnee dorpsbevolking. Rijke edelen of kapitaalkrachtige industriëlen telde zij (nog) niet of nauwelijks. Hiervan getuigt o.a. het armelijke torentje op de Waterstaatskerk, dat nooit door een opvallender toren is vervangen. In 1898 zou een nieuwe pastorie betrokken worden aan de Deldenerstraat/Pastoriestraat tegenover de Waterstaatskerk, maar pas in 1935 volgde een tweede kerkgebouw, de Bethlehemkerk aan de Oelerweg.

De doopsgezinden

Van ouds de derde stroming in het godsdienstig driestromenland van Hengelo waren de doopsgezinden. Hoewel getalsmatig in de minderheid t.o.v. de hervormden en de katholieken, was hun feitelijke invloed in verhouding groter vanwege de maatschappelijke positie van een aantal onder hen, zoals Wolter ten Cate en andere fabrikanten. Tot diep in de 19e eeuw bleven de doopsgezinden een vooraanstaande plaats in het maatschappelijk leven innemen, maar zij werden gaandeweg overvleugeld door een nieuwe generatie fabrikanten, die niet doopsgezind waren. In 1883, onder ds. Boetje (1879-1911), werd hun uit 1792 daterende kerk aan de vroegere Marktstraat (Burg. Jansenstraat) belangrijk vergroot en verfraaid.

De baptisten

Rond 1870 raakte de gemeente verdeeld. Een groep gemeenteleden onder leiding van Hendrik Overbeek verzette zich tegen de rationalistische geest die ook bij de dopersen was binnengeslopen en belegde zondags bijeenkomsten in het Overbeekshuis aan de Markt (Enschedesestraat) naast de R.K. kerk. De landelijk bekende doperse charismaticus ds. de Liefde uit Amsterdam ging hen daar vaak voor. Hij was zowel familie van Overbeek als van Jan Dijk, de eerste burgemeester van Hengelo. Door bemiddeling van ds. de Liefde werd in 1869 ds. J. de Hart, een jong evangelist uit Friesland, hier aangesteld om een gemeente van gedoopte christenen, ook genoemd baptistengemeente, te stichten. Hij zou tot 1890 in Hengelo blijven en later, na o.a. een verblijf in Amerika, nog weer van 1901 tot zijn dood in 1912. Hij heeft hier ware pioniersarbeid verricht. In 1879 werd de gemeente definitief gesticht en verkreeg zij ook koninklijke goedkeuring. Na diverse panden betrokken te hebben, werd in 1894 een nieuwe kerk ingewijd aan de B.P. Hofstedestraat. In 1911 telde de gemeente ongeveer 150 leden.